Banner warvictims.fgov.be

Wetteksten


MINISTERIE VAN VOLKSGEZONDHEID EN VAN HET GEZIN.

Bestuur van Schade aan Personen

2 APRIL 1958.- Wet tot wijziging, wat betreft de werkweigeraars, van de besluitwet van 24 december 1946 waarbij het statuut van de burgerlijke weerstanders en werkweigeraars wordt ingericht (1)

Belgisch Staatsblad dd. 11 mei 1958 - N. 131. Blz.3.798 en 3.799.

BOUDEWIJN, Koning der Belgen,
Aan allen, tegenwoordigen en toekomenden, HEIL.
De Kamers hebben aangenomen en Wij bekrachtigen hetgeen volgt:

Artikel 1.

Artikel 2 van de besluitwet van 24 december 1946, waarbij het statuut van do burgerlijke weerstanders en werkweigeraars wordt ingericht, wordt vervangen door de volgende tekst:

" Komen als werkweigeraars in aanmerking:

" 1° De personen van Belgische nationaliteit, op datum van 10 mei 1940, die zich vrijwillig hebben onttrokken aan de verplichte militaire dienst door de vijand opgelegd;

" 2° De personen van Belgische nationaliteit, die zich vrijwillig hebben onttrokken aan een arbeidsverplichting, opgelegd door de vijand of diens handlangers, alsmede degenen die zich vrijwillig aan een door de vijand of diens handlangers opgelegde arbeidsverplichting hadden onttrokken, maar door deze laatsten werden ontdekt en tot verplichte arbeidsdienst gedwongen in Duitsland of in een van de door Duitsland bezette gebieden ;

" 3° De gedeporteerden voor de verplichte arbeidsdienst, die zijn erkend op basis van de besluitwet van 24 december 1946, gewijzigd bij de wet van 7 juli 1953, en die zich, ter gelegenheid van een verlof of bij ontsnapping, vrijwillig hebben onttrokken aan de door de vijand of zijn handlanger,s opgelegde arbeidsverplichting, op voorwaarde dat hun weigering tot arbeiden van vóór 6 juni 1944 dagtekent."

Artikel 2.

Artikel 3,4°, van dezelfde besluitwet wordt vervangen door wat volgt:

" 4° Van de toepassing van deze wet zijn uitgesloten, zij die vrijwillig voor de vijand hebben gewerkt wanneer zij op het ogenblik van hun verbintenis de leeftijd van 18 jaar bereikt of overschreden hadden. "

Zij die, vóór 6 octobor 1942, in Duitsland of in een door Duitsland bezet land met uitzondering van België of Noord-Frankrijk tewerkgesteld waren, worden geacht vrijwillig voor de vijand te hebben gewerkt, behoudens tegenbewijs, hetwelk door alle rechtsmiddelen kan geleverd worden.

" Met uitzondering van diegenen die door de vijand aangehouden werden, geldt dit ook voor hen die niet behoren tot de klassen 1920 tot en met 1924 en na 6 september 1943 in Duitsland tewerkgesteld werden.

" De bepalingen der twee voorafgaande leden zijn niet van toepassing op de inwoners van het met geweld aan de Duitse wetgeving onderworpen gedeelte van België, die tewerkgesteld werden ter voldoening van die wetgeving."

Artikel 3.

Artikel 4 van dezelfde besluitwet wordt door volgende tekst vervangen :

" Van de toepassing van deze wet kunnen worden uitgesloten: "

1° Zij die tot een criminele of correctionele straf van ten minste twee jaar werden veroordeeld, voor zover het misdrijf na 10 mei 1940 werd gepleegd ; "
2° Zij die verkeerd hebben gehandeld door het verrichten van handelingen ten nadele van hun metgezellen of van de Belgische gemeenschap, hetzij door het verrichten van onregelmatige of onverantwoorde opeisingen."

Artikel 4.

Artikel 10, littera a, van dezelfde besluitwet wordt vervangen door de volgende tekst:

" a) Dat zij door de vijand werden gedwongen militaire of daarmee gelijkgestelde opdrachten te vervullen, ofwel dat zij een bevel tot verplichte arbeidsdienst kregen, of nog dat zij werden erkend als gedeporteerde voor verplichte arbeid tijdens de oorlog 1940-1945, in de gevallen bedoeld bij artikel 2, 3°."

Artikel 5.

De termijnen voor het indienen der aanvragen, bedoeld in het eerste artikel, § 3, der wet van 9 juli 1951 en in het eerste artikel, 4°, der wet van 25 juni 1956, worden verlengd voor de werkweigeraars, tot en met de laatste dag van de zesde maand, volgend op die waarin deze wet in werking treedt.

Ook de termijnen voor het indienen van de aanvragen, bedoeld bij artikel 2 van de wet van 9 juli 1951 on bij het eerste artikel 1,5°, van de wet van 25 juni 1956, worden verlengd ten aanzien van de posthume erkenning van werkweigeraars, tot en met de laatste dag van de zesde maand volgend op die waarin deze wet in werking treedt.

Artikel 6.

De bepalingen van deze wet zijn toepasselijk op de aanvragen tot het bekomen van het genot van de besluitwet van 24 december 1946 houdende inrichting van het statuut van de burgerlijke weerstanders en werkweigeraars, in zoverre omtrent deze aanvragen niet definitief uitspraak werd gedaan. De executoire beslissingen die reeds werden genomen ter voldoening aan de besluitwet van 24 december 1946, worden op verzoek van de belanghebbenden herzien overeenkomstig de bepalingen van deze wet. Behoudens overmacht moeten de aanvragen om herziening worden ingediend binnen een termijn van zes maanden, te rekenen van de inwerkingtreding van deze wet.

Kondigen deze wet af, bevelen dat zij met 's lands zegel bekleed en door het Belgisch Staatsblad bekendgemaakt worde.

Gegeven te Grasse (Alpes Maritimes), de 2 april 1958.
BAUDOUIN. (get)

Van Koningswege :
De Minister van Volksgezondheid en van het Gezin,
E. LEBURTON. (get)

Gezien en met 's Lands zegel gezegeld :
De Minister van Justitie,
A. LILAR. (get.)


(1) Zittijd 1954-1955.
Kamer der Volksvertegenwoordigers.
Parlementaire bescheiden. - Wetsontwerp, nr.204-1. - Verslag Nr.204-2.

Zittijd 1957-1958.

Kamer der Volksvertegenwoordigers.
Parlementaire Handelingen. - Bespreking en stemming. Vergadering van 6 maart 1958.

Senaat.
Parlementaire bescheiden. - Ontwerp overgemaakt door de Kamer der Volksvertegenwoordigers, nr. 213.- Verslag, nr.255. Parlementaire Handelingen. - Bespreking. Vergadering van 26 maart 1958.- Stemming. Vergadering van 27 maart 1958.


Copyright © 2008 Belgische Federale Overheidsdiensten | Disclaimer